Ik ben, zo sprak de duinfazant
gaan baden in de slundert
en vond daar aan de waterkant
een kanjer van een klundert.
Het beest was vrijwel opgedirkt
en lag op apegapen.
Hij zei mij wat er was gebeurd
alvorens in te slapen.

“Ik zwom”, zo sprak de klundert zwak
“ter hoogte van Terneiden
toen daar in lang gestrekte draf
een blaaskaak aan kwam rijden.
Hij keek mij met bekoring aan
alvorens zich te braken
dus vraag mij niet hoe deze blaaskaak
een klundert dood kon maken”.

Het vreemde, sprak de duinfazant
het vreemde van het rare
is dat ik noch de klundert
noch de blaaskaak kan verklaren.
Ik weet wel dat de klundert
door de blaaskaak is betaten
maar waar heeft deze kaak
dan zijn tenenkaas gelaten?

De duinfazant keek droevig op
en vroeg of ik het snapte.
Toen klonk er plotseling een schot
en PATS het beestje knapte.
Dus wat is de moraal
van deze zelfverzonnen zemel?
Praat nooit meer met een duinfazant
want die woont in de hemel.












Maarten Westermann
1993